Snapshot en façade

Maarten Delbeke
in: Moderne tijden, Teksten over architectuur, Vlees & Beton, no. 72, 2007, pp. 152-153

Eén manier om de uitbreiding van de Warande door Macken & Macken te lezen, is alsof een ruim bemeten scherm, de buitengevel, rond de nieuwe podiumkunstenzaal is gezet. De nieuwe zaal (Kuub) staat aan de buitenkant van het terrein, parallel aan het bestaande gebouw.  De marge tussen de zaal en het scherm biedt op vier verdiepingen plaats aan de ticketbalie, de foyer, het café, kantoren en een repetitiezaal en workshopruimte. In de zone tussen de zaal en de oude Warande is deze marge het grootst en ontstaat ruimte voor de ingang, de belangrijkste publieksvoorzieningen en de trappen. Het buitengedeelte van deze zone is over de lengte van het nieuwe gebouw een plein, dat niet alleen toegang biedt tot het Warandep’ant, maar ook horizontaal de grens markeert tussen de bovenbouw en de ondergrondse sokkel, die zichtbaar wordt in de uitsnijding aan de andere kant van het gebouw.

De plaatsing, opbouw en vorm van het scherm rond de zaal is subtieler dan op het eerste zicht kan lijken. De vliesgevel is tegelijkertijd een zelfstandig element dat een monoliet volume afbakent en een compositie van kaders die het interieur tentoon stellen en het uitzicht naar buiten bepalen. Het samennemen van deze twee fundamentele, eigenlijk tegengestelde visies op de gevel – de gevel als façade of als snapshot – maakt dat het scherm zich niet uitsluitend beperkt tot het filteren van de transmissie tussen interieur en exterieur, of tot het tentoonstellen van het interieur, of tot het markeren van een heldere sculptuur. De gevel doet dit alles tegelijkertijd en dient zo werkelijk als tolk van het gebouw. De inhoud van het volume wordt herverteld, deels verhelderd maar ook getransformeerd: opnieuw ingedeeld, uitgelicht, gecamoufleerd of aan het zicht onttrokken.

De logica’s van de façade en het snapshot krijgen op de drie volledig vlakke gevels vorm als twee hiërarchisch volstrekt evenwaardige lijnenpatronen. Horizontale lijnen duiden de vloerniveaus aan. Deze onderverdelingen kruisen het patroon van verticalen en verspringende horizontalen die de rechthoekige indeling bepalen waarop, waar nodig, zware vensterkaders zijn geplaatst. De doorlopende verticalen en horizontalen bepalen de afwisseling tussen transparant en translucent gevelmateriaal. De translucente of transparante oppervlakken representeren nu de horizontale, dan de verticale geleding van het interieur of suggereren een volume of holte achter de gevel. Precies omdat de lijnen in de gevel vloer- en muurdiktes abstraheren en de transparante oppervlakken in een steeds wisselende verhouding tot het interieur staan – als raam in een  muur (in de Kuub), of als transparante wand (in de repetitieruimte), of als vlak dat verschillende interne ruimtes samenneemt (de workshopruimte en de bovenliggende bureaus) – lijkt het gebouw, vanuit verschillende standpunten bekeken, in de loop van de dag, of met het afwisselen van de activiteiten onderworpen aan een voortdurende decompositie en hersamenstelling. Deze met soliede en rigide ontwerpmiddelen bekomen veranderlijkheid stolt in de gevel die naar het bestaande gebouw is toegewend. Hier krijgt de nieuwe Warande een haast klassiek gelaat. De repetitiezaal springt even uit, en vormt een minimale luifel die samen met een reeks kolommen uit I-profielen de ingangpartij markeert; het volume van de traphal duidt samen met de uitsnijding voor de ondergrondse patio de grens van het toegangsplein aan. Met deze weinig spectaculaire maar  opmerkelijke gebaren keert de uitbreiding van de Warande zich naar het oudere gebouw en lokt het daar een vergelijking mee uit.

Het is inderdaad onvermijdelijk om de ‘uiterlijkheid’ van het nieuwe gebouw niet af te passen aan de, in de woorden van Paul Vermeulen, haast panische introvertie van het ontwerp van Vanhout en Schellekens. Er lijkt tegenover de uitdeinende stenen massa  van het eerste gebouw een helder, scherp afgelijnd volume te staan. Maar misschien is de relatie tussen de twee gebouwen complexer. Hoewel de oude Warande verrassend weinig communicatie tussen interieur en exterieur toelaat, doet de geleding van het gebouw de aanwezigheid van de verschillende programma-onderdelen vermoeden. Waar de Kuub in het volume van het Warandep’ant verdwijnt, is de podiumzaal van het eerste gebouw een duidelijk onderscheiden entiteit. Desondanks spreekt de oorspronkelijke Warande niet tot zijn omgeving: de verschillende gebouwdelen zijn geometrische volumes die weinig van hun innerlijk leven onthullen. En precies omdat het gebouw bestaat uit een aaneenschakeling van verschillende entiteiten, is zijn enige gevel de alomvattende bakstenen huid; het heeft geen façade, geen gelaat. Daarmee kan er geen risico op onbegrip, afstandelijkheid of misverstand bestaan.

Dit ontwerp is ongetwijfeld mee bepaald door de ideeën over cultuurspreiding die in de jaren 1970 golden, en het is zeker legitiem om in de verhouding tussen de oude en de nieuwe Warande de evolutie van deze ideeën af te lezen. Maar als we ons tot de architectuur beperken, en in rekening brengen dat de gevel het gebouwdeel is waar architectuur expliciet aangeeft waar ze voor wil staan, of misschien zelfs wat voor een waarheid ze wil spreken, dan hebben Macken & Macken de strategie van hun voorgangers omgekeerd. Het Warandep’ant is met een huid omhuld. Die lijkt nu, door haar transparantie, te beloven dat  ze niet alleen laat zien maar ook afficheert wat er binnenin gebeurt. Maar precies het meticuleuze ontwerp van deze interface maakt dat het innerlijk in een wisselende reeks van geselecteerde snapshots wordt getoond en zich steeds anders tot zijn buur, zijn omgeving of de stad zal richten. Deze gevel selecteert en transformeert, en toont zo dat het de architectuur beter afgaat om het waarachtige in scène te zetten dan om waar te willen zijn.